Moderne dagbesteding geeft vorm aan transitiegedachte in sociaal domein

Elisa Jolink – Mensen zijn op hun best als ze kunnen deelnemen aan de samenleving. En de samenleving functioneert het best als er zoveel mogelijk mensen aan deelnemen. Maar hoe kun je optimaal participeren als je beperkingen hebt, als je geheugen je steeds meer in de steek laat, of als je eigenlijk geen sociaal netwerk hebt en je nauwelijks je huis uit kunt komen?

De Wet Maatschappelijke Ondersteuning voorziet in participatietrajecten op maat. Gemeenten organiseren daarvoor onder meer dagbesteding, waarbij een keur aan varianten mogelijk is. Vroeger was er voor elke doelgroep een aparte opvangmogelijkheid. Er waren groepen voor mensen met dementie, groepen voor mensen met fysieke beperkingen, inloopsessies voor eenzame ouderen, reactiveringstrajecten voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, et cetera. Tegenwoordig kiezen gemeenten in toenemende mate voor eigentijdse vormen van dagbesteding. Die kenmerken zich door het in elkaar vervlechten van doelgroepen en activiteiten, zoals dat eigenlijk in het ‘normale’ maatschappelijk leven ook gebeurt.

Dagbesteding anno 2018
Dagbesteding waarbij sprake is van een combinatie van een algemene voorziening mét daarbij een geïndiceerde voorziening, is in opmars. Dat houdt in dat de dagbesteding in principe voor alle inwoners toegankelijk is, maar dat er ook professionele begeleiding geboden wordt aan mensen met een lichte beperking op lichamelijk, geestelijk of sociaal gebied. Mensen die niet (meer) in staat zijn om zelfstandig deel te nemen aan reguliere activiteiten, kunnen dan toch sociale participatie ervaren, wat bijdraagt aan hun welbevinden.

Een aantal kenmerken van een geïntegreerde dagbestedingsorganisatie:

  • Een koppeling tussen zorg en welzijn, waarbij mensen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving blijven wonen;
  • inzet op het ondersteunen en waar nodig ontlasten van mantelzorgers;
  • tijdige signalering van hulpvragen, een adequate analyse van de complexiteit van zorg, vroege signalering van multiproblemsituaties;
  • het bieden van passende zorg, d.w.z. niet alleen opplussen maar ook afschalen als dat kan;
  • dichtbij de cliënt en laagdrempelig: dagopvang en dagbesteding moet zoveel mogelijk in de eigen omgeving plaatsvinden en aansluiten bij de belevingswereld van de betrokken cliënten;
  • zowel behandeling als preventie en voorlichting hebben een rol.

Wat gebeurt er in zo’n dagbestedingscentrum?
Het leuke van dwarsverbindingen tussen activiteiten is dat daardoor het aanbod breed en divers wordt. Er is voor ieder wat wils en op ieder niveau zijn er voor deelnemers uitdagingen (of juist vertrouwdheden) voorhanden. Dorps- of wijkbewoners kunnen elkaar vinden in gezamenlijke interesses, of elkaar helpen met iets nieuws. Door te ontschotten en niet te etiketteren op leeftijd, levensbeschouwing, mogelijkheden of beperkingen, ontstaat een natuurlijke interactie die mensen over het algemeen goed doet. Ook in een familieverband, straat, vereniging, kerkgenootschap, hebben mensen immers contact met ‘mensen’, niet met ‘doelgroepen’. De dagbesteding heeft dus een activerend karakter en kan gericht zijn op het vergroten van zelfredzaamheid of (arbeids)participatie, maar plezier en interactie is evenzo belangrijk.

Deze aanpak past helemaal bij de eigentijdse visie op het belang van eigenregie en de focus op eigen kracht. Zo’n dagbesteding past daarom beter in een dorpshuis of wijkcentrum, dan in bijvoorbeeld een verpleeghuis. Een mooi voorbeeld van zo’n dagbesteding anno 2018 is Welgaard in het Dorpshuis van Ochten. Zorggerelateerde dagbesteding en laagdrempelige welzijnsvoorzieningen gaan daar hand in hand. Ook arbeidsparticipatie, beschut werk en re-integratie hebben een plek.

Het belangrijkste pluspunt van een eigentijdse ‘omgeklapte’ dagbestedingsorganisatie is, tot slot, dat inclusiviteit het vertrekpunt is.

Elisa Jolink publiceert regelmatig over zorg. U vindt het artikel hier.